Alle Sprachen    |   EN   SV   IS   RU   RO   IT   FR   PT   HU   NL   SK   LA   FI   ES   BG   HR   NO   CS   DA   TR   PL   SR   EL   EO   |   SK   FR   HU   PL   NL   SQ   RU   ES   NO   SV   IT   CS   DA   IS   PT   HR   FI   BG   RO   |   more ...

Duits-Nederlands woordenboek

Deutsch-Niederländisch-Übersetzung für: sein
  äöüß...
  Optionen | Tipps | FAQ | Abkürzungen | Desktop

LoginRegistrieren
Home|About/Extras|Vokabeltrainer|Fachgebiete|Benutzer|Forum|Mitmachen!
Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch: sein
sein
zijn {pron}
zijn {verb}
wezen {verb}
heikel sein
gevoelig liggen {adj}
pleite sein [ugs.]
platzak zijn
abgeschnitten sein
afgesneden zijn {verb}
alkoholsüchtig sein
aan de drank zijn {verb}
angespannt sein
gespannen zijn {verb}
anwesend sein
aanwezig zijn {verb}
arbeitslos sein
werkloos zijn {verb}
ausgehungert sein
zwart van de honger zien {verb}zeg.
ausgemergelt sein
zwart van de honger zien {verb}zeg.
bedeutsam sein
wel uitmaken {verb}
beeindruckt sein
onder de indruk zijn {verb}
bereit sein
klaarstaan {verb}
beschäftigt sein
bezig zijn {verb}
het druk hebben {verb}
betrunken sein
boven zijn theewater zijn {verb}
lam zijn {verb} [omg.]zeg.
böse sein
kwaad zijn {verb}
dagegen sein
ertegen zijn {verb}
deprimiert sein
in de put zitten {verb}
dran sein [ugs.]
aan de beurt zijn {verb}
durcheinander sein [ugs.] [verwirrt, konfus]
van de kaart zijn {verb}zeg.
durstig sein
dorst hebben {verb}
egal sein
niets uitmaken {verb}
niets kunnen schelen {verb}
eingeklemmt sein
knel zitten {verb}
eingeweiht sein
ingewijd zijn {verb}
einverstanden sein
akkoord gaan {verb}
het eens zijn {verb}
erfolgreich sein
slagen {verb} [succes hebben]
erkältet sein
verkouden zijn {verb}genees.
errötet sein
gebloosd hebben {verb}
etw.Gen. schuldig sein [sich schuldig machen]
zich aan iets schuldig maken {verb}
fähig sein
in staat zijn {verb}
fertig sein
klaar zijn {verb}
garstig sein
vervelend doen {verb}
geneigt sein
genegen zijn {verb}
genug sein
voldoende zijn {verb}
geplant sein
gepland staan {verb}
geschockt sein
in shock zijn {verb}
gezwungen sein
genoodzaakt zijn {verb}
gleich sein
niets uitmaken {verb}
groggy sein [ugs.]
bekaf zijn {verb} [omg.]
hundemüde sein [ugs.]
bekaf zijn {verb} [omg.]
hundsmüde sein [ugs.]
bekaf zijn {verb} [omg.]
hungrig sein
honger hebben {verb}
imstande sein
in staat zijn {verb}
informiert sein
op de hoogte zijn {verb}
jdm. zuwider sein
iem. tegen de borst stuiten {verb}
jdm./etw. ähnlich sein
lijken op iem./iets {verb}
kaputt sein [ugs.] [erschöpft sein]
bekaf zijn {verb} [omg.]
krank sein
ziek zijn {verb}
langatmig sein
lang van stof zijn {verb}
misstrauisch sein
wantrouwig zijn {verb}
achterdochtig zijn {verb}
müde sein
moe zijn {verb}
mutterseelenallein sein
moederziel alleen zijn {verb}
niedergeschlagen sein
in de put zitten {verb}
neerslachtig zijn {verb}
nutzlos sein
nutteloos zijn {verb}
obdachlos sein
dakloos zijn {verb}
ortskundig sein
met de plaats bekend zijn {verb}
perplex sein [ugs.]
perplex staan {verb}
praktisch sein
handig zijn {verb} [makkelijk te hanteren]
pünktlich sein
op tijd zijn {verb}
quitt sein
quitte zijn {verb}
sauer sein [ugs.]
kwaad zijn {verb}
schwanger sein
in verwachting zijn {verb}
sprachlos sein
met zijn mond vol tanden staan {verb} [idioom]
stinksauer sein [ugs.]
pisnijdig zijn {verb} [omg.]
todsicher sein [ugs.]
als een paal boven water staan {verb}zeg.
tropfnass sein
druipnat zijn {verb}
überschuldet sein
met schulden overladen zijn {verb}
undicht sein
lekken {verb}
ungeeignet sein
ongeschikt zijn {verb}
ungünstig sein
tegenzitten {verb} [omstandigheden]
unschlüssig sein
weifelen {verb}
dubben {verb} [weifelen]
unterwegs sein
op pad zijn {verb}
untreu sein
ontrouw zijn {verb}
verärgert sein
kwaad zijn {verb}
verblüfft sein
verbluft zijn {verb}
verbaasd zijn {verb}
verliebt sein
het te pakken hebben {verb} [verliefd zijn]zeg.
verschieden sein
schelen {verb}
verschillen {verb}
verschuldet sein
schulden hebben {verb}
vorsichtig sein
voorzichtig zijn {verb}
uitkijken {verb} [opletten]
wahr sein
kloppen {verb} [correct zijn]
weg sein [verloren]
kwijt zijn {verb} [verloren]
wichtig sein
wel uitmaken {verb}
willkommen sein
welkom zijn {verb}
wurscht sein [ugs.]
niets kunnen schelen {verb}
auf etw. neugierig sein
naar iets benieuwd zijn
spurlos verschwunden sein
spoorloos zijn {adj}
zu dritt sein
met drie zijn
(wegen etw.) durcheinander sein
ondersteboven zijn (van iets) {verb}zeg.
nach oben | home© 2002 - 2019 Paul Hemetsberger | Impressum / Datenschutz
Dieses Deutsch-Niederländisch-Wörterbuch (Duits-Nederlands woordenboek) basiert auf der Idee der freien Weitergabe von Wissen. Mehr Informationen!
Links auf dieses Wörterbuch oder einzelne Übersetzungen sind herzlich willkommen! Fragen und Antworten