|   Alle Sprachen   
EN   SV   IS   RU   RO   FR   IT   SK   NL   PT   FI   LA   ES   HU   NO   BG   HR   CS   DA   TR   PL   EO   SR   SQ   EL   BS   |   FR   SK   IS   ES   NL   HU   RO   PL   SV   NO   RU   FI   SQ   IT   DA   CS   PT   HR   BG   LA   EO   SR   BS   TR   EL

Duits-Nederlands woordenboek

Deutsch-Niederländisch-Übersetzung für: zu
  äöüß...
  Optionen | Tipps | FAQ | Abkürzungen

LoginRegistrieren
Home|New Website|About|Vokabeltrainer|Fachgebiete|Benutzer|Forum|Mitmachen!
Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch: zu

zu
te {adv}
naar {prep}
Klammer zu
haakje sluitentaal.
Nur zu!
Toe maar!
Doe gerust!
parallel zu etw. [+Dat.]
evenwijdig aan iets {adv}wisk.
um zu
om zo
teneinde {conj}
zu dritt
met zijn drie / drieën {adv}
zu Fuß
te voet {adj} {adv}
zu Händen <z. H., z. Hd., z. Hdn.>
ter attentie van <t.a.v.>
zu Hause
thuis {adv}
zu Lebzeiten
tijdens zijn leven {adv}
zu Ostern
met Pasen {adv}
zu Recht
terecht {adv}
zu Unrecht
ten onrechte {adv}
zu verkaufen
te koop {adj}
zu vermieten
te huur
zu viel
teveel {adj} {adv}
zu viert
met zijn vieren {adv}
zu Weihnachten
met Kerst {adv}
zu zweit
met zijn twee / tweeën {adv}
met zijn tweetjes {adv} [verkl.]
jdn. (zu etw.Dat.) ernennen
iem. (tot iets) benoemen {verb}
jdn. zu etw. veranlassen
iem. noodzaken iets te doen {verb}
iem. aanleiding geven tot iets {verb}
jdn. zu etw. verpflichten
iem. iets opleggen {verb}
jdn. zu jdm. durchstellen
iem. met iem. doorverbinden {verb}telecom.
zu etw.Dat. gehören [einen Teil bilden]
bij iets horen {verb}
deel uitmaken van iets {verb}
zu etw.Dat. neigen
tot iets neigen {verb}
zu etw. beitragen
aan iets bijdragen {verb}
zu etw. führen
tot iets leiden {verb}
zu jdm.Dat. aufsehen
opzien tegen iem. {verb} [bewonderen]
opkijken tegen iem. {verb} [bewonderen]
ab und zu
weleens {adv}
wel eens {adv}
af en toe {adv}
incidenteel {adv}
im Gegensatz zu [+Dat.] <im Ggs. zu>
in tegenstelling tot {prep} <i.t.t.>
im Vergleich zu jdm./etw.
in vergelijking met iem./iets
im Verhältnis zu
in verhouding tot
nicht müssen zu [+Infinitiv]
niet hoeven te [+infinitief]
nicht zu realisieren [undurchführbar]
onhaalbaar {adj} {adv} [onuitvoerbaar]
nichts zu Danken
geen dank {adv}
Nichts zu danken!
Geen dank.
Alstublieft.
Alsjeblieft.
Graag gedaan!
viel zu alt
veel te oud {adj} {adv}
viel zu dick
veel te dik {adj} {adv}
viel zu dünn
veel te dun {adj} {adv}
viel zu gewöhnlich
veel te gewoon {adj} {adv}
viel zu groß
veel te groot {adj} {adv}
viel zu gut
veel te goed {adj} {adv}
viel zu jung
veel te jong {adj} {adv}
viel zu klein
veel te klein {adj} {adv}
viel zu kurz
veel te kort {adj} {adv}
viel zu lang
veel te lang {adj} {adv}
viel zu langsam
veel te langzaam {adj} {adv}
viel zu langweilig
veel te saai {adj} {adv}
viel zu schlecht
veel te slecht {adj} {adv}
viel zu schnell
veel te snel {adj} {adv}
viel zu viel
veel te veel {adj} {adv}
viel zu wenig
veel te weinig {adj} {adv}
zu dritt sein
met drie zijn
zu früher Morgenstunde
vroeg in de morgen {adv}
zu Fuß erreichbar
op loopafstand {adj} {adv}
te voet bereikbaar {adj}
zu Händen von <z. H., z. Hd., z. Hdn.>
ter attentie van <t.a.v.>
Zu Ihren Diensten!
Tot uw orders.
Tot uw dienst.
zu nachtschlafender Zeit
bij nacht en ontij {adv}
zu Tode betrübt
diepbedroefd {adj} {adv}
zu Urkund dessen
waarvan akterecht
Anlass zu etw. geben
aanleiding geven tot iets {verb}
etw.Akk. zu hoch einschätzen
iets overschatten {verb}
etw. zu Ende bringen
iets afmaken {verb} [voltooien]
etw. zu Ende spielen
iets afspelen {verb} [uitspelen]
etw. zu Fuß zurücklegen [Strecke]
iets te voet afleggen {verb}
etw. zu Geld machen
iets te gelde maken {verb}
etw. zu schätzen wissen
iets weten te waarderen {verb}
etw. zu sich nehmen
iets gebruiken {verb} [eten, drinken]
iets binnenkrijgen {verb} [in de maag krijgen]
etw. zu Stande bringen
iets tot stand brengen {verb}
etw. zu tun pflegen
iets plegen {verb} [verouderd] [vaak doen]
jdm. zu Leibe gehen [veraltet]
iem. te lijf gaan {verb}zeg.
jdn. veranlassen, etw. zu tun
iem. ertoe brengen iets te doen {verb}
jdn. zu sich zitieren [geh.]
iem. ontbieden {verb}
sich zu jdm. durchtelefonieren [ugs.]
[met enige moeite een telefoonverbinding naar iem. tot stand brengen] {verb}telecom.
zu Besuch sein
op bezoek zijn {verb}
zu Boden fallen
op de grond vallen {verb}
zu Ende gehen
aflopen {verb}
ten einde lopen {verb}
zu Ende lesen
uitlezen {verb} [tot het eind lezen]
zu erkennen geben
te kennen geven {verb}
zu etw. Zutritt haben
op iets terechtkunnen {verb} [toegang hebben]
zu Fuß gehen
te voet gaan {verb}
zu Hause bleiben
thuisblijven {verb}
zu Mittag essen
lunchen {verb}
nach oben | home© 2002 - 2024 Paul Hemetsberger | Impressum / Datenschutz
Dieses Deutsch-Niederländisch-Wörterbuch (Duits-Nederlands woordenboek) basiert auf der Idee der freien Weitergabe von Wissen. Mehr dazu
Links auf dieses Wörterbuch oder einzelne Übersetzungen sind herzlich willkommen! Fragen und Antworten
Werbung