All Languages    |   EN   SV   IS   RU   RO   IT   FR   PT   HU   NL   SK   LA   FI   ES   BG   HR   NO   CS   DA   TR   PL   SR   EO   EL   |   SK   FR   HU   PL   NL   SQ   RU   ES   NO   SV   IS   IT   CS   DA   FI   PT   HR   BG   RO   |   more ...

Engels-Nederlands woordenboek

BETA Dutch-English translation for: zijn
  ëéïö...
  Options | Tips | FAQ | Abbreviations | Desktop

LoginSign Up
Home|About/Extras|Vocab Trainer|Subjects|Users|Forum|Contribute!
English-Dutch Dictionary: zijn
zijn
his [possessive pronoun]
to be
zijn {pron}
its [possessive determiner]
er zijn
there are
wij zijn
we are
zwanger zijn
be up the spout
achterdochtig zijn
to be suspicious
bang zijn
to fear
to be afraid
bezig zijn
to be engaged
erfgenaam zijn
to inherit
gekwalificeerd zijn
to qualify
iem./iets beu zijn
to be tired of sb./sth.
to be fed up with sb./sth.
to have had enough of sb./sth.
ingewijd zijn
to be in the know
kiplekker zijn
to be as fit as a fiddlezeg.
klaar zijn
to be done
kwaad zijn
to be pissed off [sl.]
ongesteld zijn
to have one's period
ontrouw zijn
to be unfaithful
verbaasd zijn
to be baffled
verbluft zijn
to be baffled
verkouden zijn
to have a cold
voorzichtig zijn
to beware
to watch out
wantrouwig zijn
to be suspicious
werkloos zijn
to be unemployed
to be out of work
bij zijn dood {adv}
at his death
met zijn vieren {adv}
in a group of four
aan iem. gewaagd zijn
to match up to sb.zeg.
bang zijn van
to be afraid of
bang zijn voor
to fear
to be afraid of
blijken te zijn
to turn out to be
dol op iem./iets zijn
to be mad about sb./sth. [coll.]zeg.
to be crazy about sb./sth. [coll.]zeg.
gauw aangebrand zijn
to have a short fuse [fig.]zeg.
gebrand zijn op iets
to be intent on sth.
gek op iem./iets zijn
to be crazy about sb./sth. [coll.]zeg.
gunstig gezind zijn
to favor [Am.]
to favour [Br.]
het eens zijn
to agree
het oneens zijn
to disagree
in aantocht zijn
to be on the way [coming]
in staat zijn
to be capable
op iem. smoorverliefd zijn
to be smitten with sb.
op tijd zijn
to be on time
stapel op iem./iets zijn
to be mad about sb./sth. [coll.]zeg.
to be crazy about sb./sth. [coll.]zeg.
stapelgek op iem./iets zijn
to be mad about sb./sth. [coll.]zeg.
to be crazy about sb./sth. [coll.]zeg.
trots zijn op
to take pride in
trots zijn op iets
to be proud of sth.
van dienst zijn
to be on duty
van plan zijn
to intend
van streek zijn
to be upset
verliefd zijn op
to be in love with
zijn behoefte doen
to do one's business [defecate]zeg.
zijn schouders ophalen
to shrug (one's shoulders)
zijn tijd afwachten
to bide one's time
niet opgewassen zijn tegen
be out of your depth
op zijn dooie gemak {adv}
at one's leisurezeg.
boven zijn theewater zijn [fig.]
to be drunk
de kluts kwijt zijn
to be all at seazeg.
de moeite waard zijn
to be worthwhile
iem. van zijn stuk brengen
to unsettle sb.
in de war zijn
to be confused
in de weer zijn
to be up and about / busy
in zijn broek schijten [omg.]
to shit one's pants [vulg.]zeg.
niet akkoord zijn met
to disagree with
om eerlijk te zijn
to be honest
traag van begrip zijn
to be slow on the uptake [coll.]
uit den boze zijn
to be out of the question
van invloed zijn op
to affect [concern]
weer de oude zijn
to be one's old self againzeg.
een maatje te klein zijn
be out of your depth
Hij heeft zaagsel in zijn hoofd. [omg.]
He's as stupid as they come. [coll.]zeg.
In de nood leert men zijn vrienden kennen.
A friend in need is a friend indeed.zeg.
Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd.
Rome wasn't built in a day.spreekw.
iem. van zijn / haar lijden verlossen
to put sb. out of his / her misery
van iets op de hoogte zijn
to know about sth.
weer op de been zijn
to be up and about again
back to top | home© 2002 - 2019 Paul Hemetsberger | contact / privacy
Dutch-English online dictionary (Engels-Nederlands woordenboek) developed to help you share your knowledge with others. More information!
Links to this dictionary or to single translations are very welcome! Questions and Answers