Alle Sprachen    |   EN   SV   IS   RU   RO   IT   FR   PT   HU   NL   SK   LA   FI   ES   BG   HR   NO   CS   DA   TR   PL   SR   EL   EO   |   SK   FR   HU   PL   NL   SQ   RU   ES   NO   SV   IT   CS   DA   IS   PT   HR   FI   BG   RO   |   more ...

Duits-Nederlands woordenboek

Deutsch-Niederländisch-Übersetzung für: [zijn]
  äöüß...
  Optionen | Tipps | FAQ | Abkürzungen | Desktop

LoginRegistrieren
Home|About/Extras|Vokabeltrainer|Fachgebiete|Benutzer|Forum|Mitmachen!
Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch: [zijn]
uiterlijk {adv} [op zijn laatst]
spätestens
nieuw {adj} {adv} [in zijn soort]
neuartig
overheersend {adj} {adv} [van overwegende invloed zijn]
vorherrschend
voorkomen {verb} [ergens te vinden zijn, soms gebeuren]
vorkommen
kloppen {verb} [correct zijn]
stimmen [zutreffen, wahr sein]
zutreffen [richtig sein]
wahr sein
gelden {verb} [van toepassing zijn]
zutreffen
iets beseffen {verb} [zich bewust zijn]
etw. erfassen [wahrnehmen, begreifen]
iets vrezen {verb} [bang zijn dat iets zal plaatshebben]
etw. befürchten
strekken {verb} [reiken] [toereikend zijn]
reichen [z.B. sich erstrecken] [ausreichen]
opgaan {verb} [van toepassing zijn]
zutreffen
achten {verb} [van mening zijn]
betrachten als
bestaan {verb} [er zijn]
geben [vorhanden sein, existieren]
iets iets achten {verb} [van mening zijn]
etw. als etw. erachten [geh.]
etw. für etw. halten [der Meinung sein]
oordelen {verb} [van mening zijn]
der Meinung sein
openstaan {verb} [niet dicht zijn, van een rekening]
offen stehen
stropen {verb} [op rooftocht zijn]
plündernd herumstreifen
sukkelen {verb} [ziekelijk zijn]
kränkeln
verdragen {verb} [bestand zijn tegen]
vertragen
wuiven {verb} [met zijn hand]
winken
zekerheid {de} [het zeker zijn]
Gewissheit {f}
werkzaamheid {de} [het werkzaam zijn]
Tätigkeit {f}
actualiteit {de} [het actueel zijn]
Aktualität {f}
gebondenheid {de} [onvrij zijn]
Gebundenheit {f}
soberheid {de} [het sober zijn]
Schlichtheit {f}
Einfachheit {f} [Schlichtheit]
afgevallen zijn [afgeslankt zijn]
abgenommen haben [an Gewicht]
ertoe doen {verb} [omg.] [van belang zijn]
von Bedeutung sein
gek zijn {verb} [niet op zijn gemak zijn]
einen an der Waffel haben [ugs.] [Idiom]
iets ertoe doen {verb} [omg.] [van belang zijn]
etw. ausmachen [von Bedeutung sein]
slaan op iem./iets {verb} [van toepassing zijn]
auf jdn./etw. zutreffen
ter zake doen {verb} [belangrijk zijn]
eine Rolle spielen [fig.]
boven zijn theewater zijn {verb}
betrunken sein
het te pakken hebben {verb} [verliefd zijn]
verliebt seinzeg.
in zijn sas zijn {verb} [fig.]
gut aufgelegt seinzeg.
van zijn melk zijn {verb} [BN] [idioom]
aus der Fassung sein
De een zijn dood is een ander zijn brood.
Des einen Tod ist des anderen Brot.spreekw.
Hij heeft het te pakken. [verkouden zijn]
Er hat sich erkältet.
aan het einde van zijn Latijn zijn {verb}
mit seinem Latein am Ende seinzeg.
niet goed bij zijn hoofd zijn {verb} [omg.]
nicht ganz richtig im Kopf sein [ugs.]zeg.
op de / zijn hoede zijn {verb}
auf der Hut seinzeg.
nach oben | home© 2002 - 2019 Paul Hemetsberger | Impressum / Datenschutz
Dieses Deutsch-Niederländisch-Wörterbuch (Duits-Nederlands woordenboek) basiert auf der Idee der freien Weitergabe von Wissen. Mehr Informationen!
Links auf dieses Wörterbuch oder einzelne Übersetzungen sind herzlich willkommen! Fragen und Antworten