|   Alle Sprachen   
EN   SV   IS   RU   RO   FR   SK   IT   NL   LA   ES   PT   FI   HU   NO   UK   BG   HR   CS   DA   TR   PL   EO   SR   SQ   EL   BS   |   FR   SK   IS   ES   IT   NL   RO   HU   PL   SV   RU   NO   FI   UK   SQ   DA   CS   PT   HR   BG   LA   EO   SR   BS   TR   EL

Duits-Nederlands woordenboek

Deutsch-Niederländisch-Übersetzung für: aan
  äöüß...
  Optionen | Tipps | FAQ | Abkürzungen

LoginRegistrieren
Home|New Website|About|Vokabeltrainer|Fachgebiete|Benutzer|Forum|Mitmachen!
Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch: aan

aan {prep}
an
aan boord {adj} {adv} <a.b.>
an Bord
aan tafel {adv}
am Tisch
aan weerskanten {adv}
auf beiden Seiten
evenwijdig aan iets {adv}
parallel zu etw. [+Dat.]wisk.
Kom aan! [omg.]
Komm schon! [ugs.]
opgedragen aan
gewidmet an
aan iets bijdragen {verb}
zu etw. beitragen
aan iets deelnemen {verb}
sich an etw.Dat. beteiligen
aan iets meedoen {verb}
sich an etw.Dat. beteiligen
aan iets morrelen {verb}
an etw.Dat. herummachen [ugs.]
an etw.Dat. herumfingern [ugs.]
an etw.Dat. herumdoktern [ugs.]
an etw.Dat. herumpfriemeln [ugs.]
an etw.Dat. herumhantieren [ugs.]
an etw.Dat. herumfriemeln [ugs.] [Rsv.]
aan iets ontkomen {verb} [kunnen vermijden]
um etw. herumkommen [ugs.] [vermeiden können]
aan iets sleutelen {verb} [fig.]
an etw.Dat. herumdoktern [ugs.]
aan iets vasthouden {verb}
auf etw.Dat. beharren
an etw.Dat. festhalten
etw. beibehalten [an etw. festhalten]
bei etw.Dat. bleiben [etw. beibehalten]
beantwoorden aan iets {verb}
etw.Dat. entsprechen
deelnemen aan {verb}
teilnehmen an
grenzen aan iets {verb} [ook fig.]
an etw.Akk. grenzen [auch fig.]
iem. aan iem. doorverwijzen {verb} [patiënt]
jdn. an jdn. überweisen [Patient]genees.
iem. aan iem. koppelen {verb}
jdn. mit jdm. verkuppeln [ugs.]
iets aan iem. doorspelen {verb}
jdm. etw. zuspielen
iets aan iem. toeschrijven {verb}
jdm. etw. zuschreiben
iets aan iem. uitdelen {verb}
etw. an jdn. austeilen
lijden aan {verb}
leiden an
refereren aan iets {verb}
auf etw. verweisen
auf etw. Bezug nehmen
sich auf etw. beziehen
voldoen aan iets {verb}
etw.Akk. erfüllen
vorafgaan aan iets {verb}
etwDat. vorangehen
wennen aan iem./iets {verb}
sichAkk. an jdn./etw. gewöhnen
behoefte {de} aan iets
Bedürfnis {n} nach etw.
Bedarf {m} an etw.Dat.
gebrek {het} aan
Mangel {m} an
aan banden lleggen
einschränken
aan de / het {prep}
am [an dem]
Aan de kant!
Zur Seite!
Aus dem Weg!
aan de linkerkant {adv}
auf der linken Seite
aan de overkant {adv}
jenseits
aan de rechterkant {adv}
auf der rechten Seite
aan de universiteit {adv}
auf der Universitätopl.
aan den lijve {adv}
am eigenen Leibzeg.
aan drugs verslaafd {adj}
drogensüchtigdrugs
drogenabhängigdrugs
aan het werk {adv}
bei der Arbeit
aan stukken gescheurd {adj}
zerrissen
aan weerszijden van {adv}
beiderseits [+Gen.]
bij gebrek aan {prep}
mangels [+Gen.]
rijk aan overwinningen {adj} {adv}
siegreich [reich an Siegen]
aan bod komen {verb}
zur Sprache kommen
aan boord gaan {verb}
an Bord gehenluchtv.naut.
aan flarden scheuren {verb}
zerfetzen
aan geld geraken {verb}
an Geld kommen
aan geld raken {verb}
an Geld kommen
aan gruzelementen slaan {verb} [omg.]
in Stücke schlagen
aan iets debet zijn {verb} [fig.]
an etw.Dat. schuld sein
aan kanker overlijden {verb}
an Krebs sterbengenees.
aan sport doen {verb}
Sport treibensport
Sport betreibensport
sich sportlich betätigensport
aan wal gaan {verb}
sich ausschiffen [an Land gehen]naut.
aandacht besteden aan iem./iets {verb}
jdm./etw. Beachtung schenken
jdm./etw. Aufmerksamkeit schenken
iets aan gruzelementen slaan {verb}
etw. zertrümmernzeg.
medewerking verlenen aan iets {verb}
an / bei etw. mitwirken
toestemming vragen aan iem. {verb}
jdn. um Erlaubnis bitten
jdn. um Erlaubnis fragen
jdn. um Genehmigung bitten
trouw aan iets blijven {verb}
etw. treu bleiben
uitdrukking geven aan iets {verb}
etw. zum Ausdruck bringen
verslaafd zijn aan iets {verb}
nach etw.Dat. süchtig sein
vreemd worden (aan) {verb}
sich entfremden (von)
werk geven aan {verb}
beschäftigen
zich aan iem. voorstellen {verb}
sich bei jdm. vorstellen
zich aan iets houden {verb}
sich an etw. halten
zich aan iets laven {verb}
sichAkk. an etw. [Dat] laben [veraltet]
zich aan iets vasthouden {verb}
sich an etw.Dat. festhalten
zich bezondigen aan {verb}
sich etw.Gen. schuldig machen
zich ergeren aan iets {verb}
sich über etw. ärgern
zich vastklampen aan iem./iets {verb} [ook fig.]
sich an jdm./etw. festklammern [auch fig., z. B. an eine Hoffnung]
aandeel {het} aan toonder
Inhaberaktie {f}fin.
gebrek {het} aan baten
Fehlen {n} von Erträgenecon.
gebrek {het} aan begrip
mangelndes Verständnis {n}
nek-aan-nekrace {de}
Kopf-an-Kopf-Rennen {n}
open brief {de} (aan iem.)
offener Brief {m} (an jdn.)
(iets) aan het adres van iem./ iets [kritiek, opmerking]
(etw.) an jdn./etw. gerichtet [Kritik, Bemerkung]
(iets) aan het adres van iets [kritiek, opmerking]
(etw.) auf etw. gerichtet [Kritik, Bemerkung]
aan de andere kant {adv}
andererseits
auf der anderen Seite
aan de andere zijde {adv}
jenseits
aan de ene kant {adv}
einerseits
auf der einen Seite
aan de hand van {prep}
anhand von
nach oben | home© 2002 - 2025 Paul Hemetsberger | Impressum / Datenschutz | Cookie-Einstellungen
Dieses Deutsch-Niederländisch-Wörterbuch (Duits-Nederlands woordenboek) basiert auf der Idee der freien Weitergabe von Wissen. Mehr dazu
Links auf dieses Wörterbuch oder einzelne Übersetzungen sind herzlich willkommen! Fragen und Antworten
Werbung