Alle Sprachen    |   EN   SV   IS   RU   RO   IT   FR   PT   HU   NL   SK   LA   FI   ES   BG   HR   NO   CS   DA   TR   PL   SR   EL   EO   |   SK   FR   HU   PL   NL   SQ   RU   ES   NO   SV   IS   IT   CS   DA   PT   HR   FI   BG   RO   |   more ...

Duits-Nederlands woordenboek

Deutsch-Niederländisch-Übersetzung für: een
  äöüß...
  Optionen | Tipps | FAQ | Abkürzungen | Desktop

LoginRegistrieren
Home|About/Extras|Vokabeltrainer|Fachgebiete|Benutzer|Forum|Mitmachen!
Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch: een
een
eins
ein
eine
'ne [ugs.] [eine]
een beetje {adv}
ein wenig
ein bisschen
etwas [ein wenig]
een beetje {pron}
ein bisserl [südd.] [österr.]
een paar
ein paar
een slordige {adv} [ongeveer]
circa <ca.>
etwa [ungefähr]
ungefähr [vor Zahlen oder Mengenangaben]
een hoop {de}
eine Menge {f}
binnen een week {adv}
innerhalb einer Woche
een enkele maal {adv} [één keer]
ein einziges Mal
een enkele maal {adv} [soms]
manchmal
vereinzelt
dann und wann
een of ander {pron}
irgendein
een staaltje van
ein Fall von
een vijftal jaren {adv}
(etwa) fünf Jahre
een voor een {adv}
eins nach dem anderen
in een handomdraai {adv}
im Handumdrehenzeg.
in één klap {adv}
mit einem Schlag [mit einem Schlage]
in een notendop {adv} [zeg.]
kurz gesagt
in een ommezien {adv}
im Nuzeg.
in een ommezien
im Handumdrehenzeg.
in één oogopslag {adv} [fig.]
auf einen Blick
met een tekort {adj}
defizitärecon.
met één verdieping {adj}
einstöckigarchi.bouwk.
op een avond {adv}
eines Abends
op een bruiloft {adv}
auf einer Hochzeit
op een dag {adv}
eines Tages
op een drafje {adj} {adv}
geschwind
op een nacht {adv}
eines Nachts
sinds een eeuwigheid {adv}
seit Ewigkeiten [ugs.]
voor een habbekrats {adv}
für ein Butterbrot [ugs.]zeg.
für einen Pappenstiel [ugs.]zeg.
für einen Apfel und ein Ei [ugs.]zeg.
voor een stuk {adv}
zum Teil
Wat een ellende!
Was für ein Elend!
een aanbetaling doen {verb}
anzahlen
een aanbod aannemen {verb}
ein Angebot annehmenecon.
een aanbod doen {verb}
ein Angebot machenecon.
een aanvraag indienen {verb}
einen Antrag stellen
een achterstand inlopen {verb}
einen Rückstand aufholen
een afspraak maken {verb}
einen Termin ausmachen
eine Verabredung treffen
een afspraak verschuiven {verb}
einen Termin verlegen
een akkoord bereiken {verb}
eine Vereinbarung treffen
een akte opmaken {verb}
eine Urkunde ausstellen
eine Urkunde ausfertigen
een ambt bekleden {verb}
amtieren
een auto besturen {verb}
ein Auto lenken
een avondje stappen {verb}
ausgehen [Restaurant etc.]zeg.
een bad nemen {verb}
ein Bad nehmen
een band plakken {verb}
einen Reifen flickenautofiets
een bekentenis afleggen {verb}
ein Geständnis ablegenrecht
een bekentenis intrekken {verb}
ein Geständnis widerrufenrecht
een belofte doen {verb}
ein Versprechen geben
een belofte nakomen {verb}
ein Versprechen einlösen
een berg beklimmen {verb}
einen Berg besteigenbergsp.
een beurt krijgen {verb} [onderwijs]
aufgerufen werden [in der Schule etc.]opl.
een beurt overslaan {verb}
eine Runde aussetzenspellen
een bijdrage leveren {verb}
einen Beitrag leisten
een binnenpretje hebben {verb}
in sich hineinlachen
een bioscoopje pikken {verb} [omg.]
ins Kino gehen
een blauwtje lopen {verb}
einen Korb kriegen
einen Korb bekommen
een blokje omgaan {verb}
eine Runde drehen
een boek lezen {verb}
ein Buch lesenlit.
een boek opslaan {verb}
ein Buch aufschlagen
een boek schrijven {verb}
ein Buch schreibenlit.
een boeket maken {verb}
einen Strauß binden
een bom ontmantelen {verb}
eine Bombe entschärfenmil.wapens
een brand stichten {verb}
einen Brand stiften
een buiteling maken {verb}
einen Purzelbaum machen
einen Purzelbaum schlagen
een cheque uitschrijven {verb}
einen Scheck ausstellenfin.
een deur openbreken {verb}
eine Tür aufbrechen
een dief pakken {verb}
einen Dieb festnehmen
een discussie uitlokken {verb}
eine Diskussion entfachen
een doelpunt maken {verb}
ein Tor schießensport
een eed afleggen {verb}
einen Eid leisten
einen Eid ablegen
einen Eid schwören
een ei uitbroeden {verb}
ein Ei ausbrütenvogelk.zoöl.
een film afkijken {verb}
einen Film zu Ende sehen
einen Film zu Ende schauen
een film draaien {verb}
einen Film drehenfilm
een foto maken {verb}
ein Foto machenfoto.
een foto trekken {verb} [BN]
ein Foto machen
een gat boren {verb}
ein Loch bohren
een gebed doen {verb}
beten
een geloof aannemen {verb}
einen Glauben annehmenrelig.
een gemeente besturen {verb}
eine Gemeinde verwaltenpol.
een geur afgeven {verb}
einen Duft verbreiten
een gezin stichten {verb}
eine Familie gründen
een glimp opvangen {verb}
einen Blick erhaschen [ugs.]
een handtekening zetten {verb}
unterschreiben
nach oben | home© 2002 - 2019 Paul Hemetsberger | Impressum / Datenschutz
Dieses Deutsch-Niederländisch-Wörterbuch (Duits-Nederlands woordenboek) basiert auf der Idee der freien Weitergabe von Wissen. Mehr Informationen!
Links auf dieses Wörterbuch oder einzelne Übersetzungen sind herzlich willkommen! Fragen und Antworten