Alle Sprachen    |   EN   SV   IS   RU   RO   IT   FR   PT   HU   NL   SK   LA   FI   ES   BG   HR   NO   CS   DA   TR   PL   SR   EL   EO   |   SK   FR   HU   PL   NL   SQ   RU   ES   NO   SV   IS   IT   CS   DA   PT   HR   FI   BG   RO   |   more ...

Duits-Nederlands woordenboek

Deutsch-Niederländisch-Übersetzung für: zijn
  äöüß...
  Optionen | Tipps | FAQ | Abkürzungen | Desktop

LoginRegistrieren
Home|About/Extras|Vokabeltrainer|Fachgebiete|Benutzer|Forum|Mitmachen!
Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch: zijn
zijn {pron}
sein
seine
[we/ze] zijn
[wir/sie] sind
zijn {verb}
sein
afgevallen zijn [afgeslankt zijn]
abgenommen haben [an Gewicht]
begonnen zijn
begonnen haben
angefangen haben
pittig zijn
Grütze im Kopf habenspreekw.
platzak zijn
pleite sein [ugs.]
spoorloos zijn {adj}
spurlos verschwunden sein
aanwezig zijn {verb}
anwesend sein
abuis zijn {verb}
sich irren
im Irrtum sein
achterdochtig zijn {verb}
misstrauisch sein
afgenomen zijn {verb}
abgenommen haben
afgeslankt zijn {verb}
abgenommen haben
afgesneden zijn {verb}
abgeschnitten sein
bang zijn {verb}
sich fürchten
bekaf zijn {verb} [omg.]
groggy sein [ugs.]
hundsmüde sein [ugs.]
hundemüde sein [ugs.]
kaputt sein [ugs.] [erschöpft sein]
bezig zijn {verb}
beschäftigt sein
dakloos zijn {verb}
obdachlos sein
dertiger zijn {verb}
in den Dreißigern sein [zwischen 30 und 40 Jahre alt sein]
druipnat zijn {verb}
tropfnass sein
triefen [tropfnass sein]
eenkennig zijn {verb}
fremdeln
scheu vor Fremden sein
ängstlich vor Fremden sein
erfgenaam zijn {verb}
erben
ertegen zijn {verb}
dagegen sein
gaande zijn {verb}
im Gang sein
im Gange sein
geëindigd zijn {verb}
geendet haben
gehaast zijn {verb}
es eilig haben
gek zijn {verb} [niet op zijn gemak zijn]
einen an der Waffel haben [ugs.] [Idiom]
genegen zijn {verb}
geneigt sein
genoodzaakt zijn {verb}
gezwungen sein
gepensioneerd zijn {verb}
in Rente sein
geschikt zijn {verb}
sich eignen
konvenieren
gespannen zijn {verb}
angespannt sein
gestresseerd zijn {verb}
im Stress sein
getrouwd zijn {verb}
geheiratet haben
halverwege zijn {verb} [reis]
Bergfest haben
handig zijn {verb} [makkelijk te hanteren]
praktisch sein
iem./iets beu zijn {verb}
jdn./etw. satthaben [ugs.]
jdn./etw. satt haben [ugs.] [alt]
iem./iets zat zijn {verb}
jdn./etw. satthaben [ugs.]
ingewijd zijn {verb}
eingeweiht sein
jarig zijn {verb}
Geburtstag haben
klaar zijn {verb}
fertig sein
kwaad zijn {verb}
böse sein
verärgert sein
sauer sein [ugs.]
kwijt zijn {verb} [verloren]
weg sein [verloren]
lam zijn {verb} [omg.]
betrunken seinzeg.
moe zijn {verb}
müde sein
neerslachtig zijn {verb}
niedergeschlagen sein
nutteloos zijn {verb}
nutzlos sein
ongeschikt zijn {verb}
ungeeignet sein
onnozel zijn {verb} [onervaren]
grün hinter den Ohren seinzeg.
ontrouw zijn {verb}
untreu sein
pisnijdig zijn {verb} [omg.]
stinksauer sein [ugs.]
quitte zijn {verb}
quitt sein
rendabel zijn {verb}
sich amortisierenfin.
verbaasd zijn {verb}
verblüfft sein
verbluft zijn {verb}
verblüfft sein
verdwaald zijn {verb}
sich verirrt haben
verkouden zijn {verb}
erkältet seingenees.
verlegen zijn {verb} [in vreemde omgeving]
fremdeln
verschuldigd zijn {verb}
schulden
voldoende zijn {verb}
ausreichen
genug sein
reichen [genug sein]
voorzichtig zijn {verb}
vorsichtig sein
wantrouwig zijn {verb}
misstrauisch sein
welkom zijn {verb}
willkommen sein
werkloos zijn {verb}
arbeitslos sein
ziek zijn {verb}
krank sein
bij zijn dood {adv}
bei seinem Tod
in zijn eentje {adv}
allein
alleine [ugs.] [allein]
met drie zijn
zu dritt sein
met zijn tweetjes {adv} [verkl.]
zu zweit
naar iets benieuwd zijn
auf etw. neugierig sein
op zijn beurt {adv}
der Reihe nach
op zijn gemak {adj} {adv}
gemächlich
op zijn laatst {adv}
spätestens
op zijn vroegst {adv}
frühestens
aan iets debet zijn {verb} [fig.]
an etw.Dat. schuld sein
aansprakelijk zijn voor {verb}
haften fürecon.
verantwortlich sein fürecon.
bang zijn van {verb}
Angst haben vor
bang zijn voor {verb}
sich fürchten vor
bang zijn voor iem./iets {verb}
vor jdm./etw. Angst haben
bestand zijn tegen {verb}
standhalten
bezorgd zijn over iets {verb}
über etw. beunruhigt sein
bij iem. werkzaam zijn {verb}
bei jdm. beschäftigt sein
nach oben | home© 2002 - 2019 Paul Hemetsberger | Impressum / Datenschutz
Dieses Deutsch-Niederländisch-Wörterbuch (Duits-Nederlands woordenboek) basiert auf der Idee der freien Weitergabe von Wissen. Mehr Informationen!
Links auf dieses Wörterbuch oder einzelne Übersetzungen sind herzlich willkommen! Fragen und Antworten